“Beledigen is de norm geworden.”

boek1stond in de Volkskrant van 14 december in een stuk van Wieteke van Zeil.

Laat ik mijn duit in het zakje doen, zo aan het eind van dit kalenderjaar. Ik poneer de volgende stelling: “niet luisteren is het gevolg van de angst om niet gehoord te worden.”

Mijn opvatting:

Beledigen is niet meer dan een ultieme poging om gehoord te worden. Het is een distress reactie op de (onbewust) overtuiging dat er niet echt naar je wordt geluisterd. En dat is logisch. Want wat ‘de ander’ zeg druist zo in tegen mijn normen en waarden, tegen mijn denkkaders, dat ik daarop wel moet reageren. Die reactie is, zo is mijn overtuiging, niet uit te schakelen.
Ga maar na. Wanneer ik vind, op basis van persoonlijke gebeurtenissen in mijn directe omgeving, dat ‘de grenzen dicht moeten,’ dan is dat een opvatting die op dat moment past binnen mijn denkkader. Een denkkader dat gevoed wordt voor de angst dat me nog een keer gaat overkomen wat me al is overkomen (“vervelende beledigende opmerkingen op straat”, “ingebroken in mijn auto door “iemand met een andere etnische achtergrond”, “diefstallen in de supermarkt waar ik werk door ‘die groep buitenlanders’ “, “mijn baan op de tocht door ‘die mensen uit een deel van Europa waar de lonen veel lager zijn’”). Angst is dan de drijfveer. Een, in mijn ogen, reële alles verzengende angst die wordt gevoed door ‘die mensen in Den Haag’ die ‘zeggen wat ze willen zeggen’ omdat we ‘vrijheid van meningsuiting hebben.’

Er worden, zo is de mening die zich steeds meer en meer vastzet in mijn denkkader, in het landelijke debat ‘geen echte gesprekken gevoerd’. Er is slechts een uitwisseling gaande tussen mensen met sterk uiteenlopende opvattingen, zo mag ik constateren wanneer ik krantenberichten lees en televisieprogramma’s bekijk waarvoor ‘verbaal sterke mensen’ met een ‘duidelijk uitgesproken mening’ worden uitgenodigd omdat dat ‘zorgt voor hogere kijkcijfers.’

Wanneer ik politici beluister ‘hebben ze allemaal gelijk’; ‘ieder vanuit zijn eigen denkkader.’

In bovenstaande alinea zaten minstens 6 opvattingen. Mijn opvattingen. Niet gestaafd door feiten en data. Toch leest u ze, zuigt u ze op en kunt u er voor een deel in meegaan.

Wanneer een eindredacteur van een actualiteitenprogramma bovenstaande alinea leest kan ik zijn reactie voorspellen:
‘Dat van die hogere kijkcijfers klopt helemaal niet. Hoe kom je daarbij, Jelte!’
En voordat ik het besef ben ik me aan het verdedigen over die ene van zes opvattingen, in plaats van dat ik mijn punt mag maken.
Voordat ik het besef wisselen we woorden uit die passen binnen onze eigen denkkaders. Dan hebben we geen gesprek maar belanden op het hellende vlak van distressgedrag waarbij we ‘focussen op wat, in mijn ogen, niet goed is in de woorden van de ander’ en we gaan ‘op kruistocht’ waarbij we wijzen met onze wijsvingers, priemende gitzwarte ogen krijgen en onze lichaamstaal (houding, gebaren, toon van de woorden, inhoud van de woorden en gezichtsuitdrukking) een aanvalshouding laat zien.

Zo eenvoudig als dat gaat, zo lastig is het om daar uit te komen. We verzanden in oneliners en uiteindelijk beledigen we elkaar persoonlijk, op de man af. Dan worden uitspraken opeens vereenzelvigd met degene die ze uitspreekt en kunnen we niet meer scheiden dat degene die ze uitspreekt ‘OK’ is, maar dat we eigenlijk diens uitspraken ‘niet Ok’ vinden.
En voor we het weten hebben we een mening over ‘de persoon’ in plaats van over ‘zijn uitspraken.’

Angst is het leidmotief. Om een metafoor te gebruiken (die vast ergens mank gaat, ik besef het): ieder mens heeft een boek in zijn hoofd. Een boek met zijn regels, kaders, opvattingen. We weten dat elk mens zijn eigen boek heeft. Discussies ontstaan als je merkt dat in het boek van de ander andere regels staan dan in jouw boek. Wat we dan feitelijk doen is onze mening scherpen aan die van de ander. Op die manier gummen we soms delen van onze eigen opvattingen uit en herschrijven die van ons als we begrip opbrengen voor de inhoud van de opvatting van de ander. Heel gezond, heel helder. We noemen het “leren” door begrip op te brengen voor de regels van de ander. We noemen het levenservaring, we noemen het groeien. Op die manier is het boek in ons hoofd, doordat we luisteren naar wat de ander zegt, een boek dat zich telkens herschrijft en aanpast aan nieuwe ervaringen, gesprekken en zienswijzen.

Wat nu als we een opvatting horen zonder toelichting. Een oneliner. Een verkondiging die niet wordt genuanceerd. Dan herschrijven we ons eigen boek niet wanneer we het er niet mee eens zijn. Het zorgt ervoor dat we onze eigen opvatting alleen maar met zwartere inkt schrijven en er strepen onder zetten om onze opvatting te benadrukken.

Angst is het leidmotief. Door vast te houden aan wat er in ons boek staat behouden we, denken we, wat van ons is, hoeven we onze ogen niet te openen wat van ‘de ander’ is. En voor we het weten erkennen we de ander niet meer om de opvatting die hij heeft en verwerpen we ‘de ander’ als persoon, in plaats van dat we er achter willen komen wat er werkelijk in zijn boek staat.

Op die manier stellen we voorwaarden aan de ander onder het mom van ‘je bent pas OK als je perfect bent voor mij.’
Het zijn voorwaarden waar de ander niet aan kan voldoen wanneer die zo vast blijft houden aan de regels in zijn eigen boek.

De oplossing zit niet in het starten van de dialoog. Daaraan gaat een stap vooraf:
Erkenning voor het feit dat de ander een opvatting heeft!
Je hoeft het niet eens te zijn met de opvatting van de ander. Dat is totaal anders. Wanneer je in je eigen boek schrijft dat je erkenning geeft aan de ander voor het feit dat hij een opvatting heeft ben je minder bang voor de opvatting die de ander heeft. Dat is de start. Daarna komt, op basis van de regels die in het boek in je hoofd staan, een dialoog op gang. Dan volgt vanzelf dat jij en hij jullie opvattingen, vanuit je eigen denkkaders, belevenissen en geschiedenis delen. Dat ze gaan schurken, dat het wrijft (“van wrijven komt glans”, zegt mijn moeder) en dat je na of tijdens de dialoog bepaalt of je je eigen regels (deels) uitgumt en herschrijft.
En zo ben ik terug bij het begin van mijn zienswijze:  

“Niet luisteren is het gevolg van de angst om niet gehoord te worden.”

Ik ga hem niet uitleggen. Ik geef de stelling aan je met de vraag of je, vanuit de regels die in jouw boek staan, hierop wilt reageren. Vanuit de wetenschap dat ook onder dit opiniestuk een deel van mijn diepgewortelde angst zit. De angst dat we stoppen met luisteren omdat we bang zijn niet gehoord te worden.

Jelte van der Kooi

‘Ik denk niet anders dan jij. Ik denk op een andere manier.’