Dé onderwijsrevolutie

Onderwijsvernieuwing. Commissie- Schnabel 2.0

Ik weet wat écht werkt.

Staatssecretaris Sander Dekker wil een nieuw curriculum in het basis- en voortgezet onderwijs. Dat is een mooi streven.
In mijn visie maakt het niet uit hoe dat curriculum eruit komt te zien. Dat het er komt is prima, noodzakelijk zelfs. Maar er is in mijn optiek meer nodig wil het daadwerkelijk tot een nieuw, werkbaar en passend curriculum komen.
In dat licht bezien is Onderwijs 2032, vlak na het uitkomen van het rapport van de commissie-Schnabel, nu al toe aan versie 2.0.
Míjn versie 2.0.

“Van onderwijsvernieuwing naar onderwijsrevolutie 2032.”

Op dit moment ligt voor ons de kans om van de voorgestelde vernieuwing een ware revolutie te gaan maken. Een kans waarvan ik van overtuigd ben dat we die moeten gaan pakken.
Daar is een klein, maar veelbetekenend woord voor nodig dat de echte verandering in het onderwijs te weeg gaat brengen. Het is de sleutel tot het succes ervan.

Ik heb het hier over het woord ‘hoe’
De daaraan gekoppelde vraag is:
‘Hoe bereik ik elk kind om een (nieuw) curriculum aan te leren?’

Voordat ik je meeneem naar het ‘hoe’ wil ik eerste twee opvattingen met je delen.

  1. Echte vernieuwing in het onderwijs vind je niet primair in de aanpassing van de content, de vaardigheden, het curriculum (het “wat”).
  2. Het onderwijs volgt de maatschappelijke en technologische ontwikkelingen en is niet leidend. Wanneer we het in het onderwijs hebben over vernieuwing (inclusief “onderwijs 2032”) is er sprake van een kopie van wat er was, aangevuld met marginale aanpassingen.

In het huidige onderwijs gaat het grotendeels over het “wat”: een nieuw curriculum; nieuwe vaardigheden; nieuwe technologische middelen; …
Ik ervaar dat het onderwijs reageert op maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Grote veranderingen worden niet in gang gezet door het onderwijs. Dat gebeurt door wetenschappers, trendwatchers, uitvinders, ontdekkers, globale ontwikkelingen,… Het onderwijs is hierin volgend in plaats van vernieuwend. Daardoor loopt het onderwijs altijd achter de feiten aan.
Het is een illusie om te denken dat je door smartscreens, laptops, virtual reality en telkens nieuwe curricula het onderwijs wezenlijk verandert. Er is namelijk altijd iets nieuws. En ervaring leert ons: Er zal altijd weer wat nieuws komen. De enige zekerheid die we hebben is dat de maatschappelijke en technologische ontwikkelingen niet stil staan.
Nooit.

Alleen dáárom al kunnen we niet vooruitkijken naar 2032. Wat we wél kunnen is centraal stellen “hoe” we elk kind aanbieden “wat” op enig moment actueel is.

Wanneer we dat als uitgangspunt nemen ontstaat er dé onderwijsrevolutie.

  1. Je stelt jezelf de vraag: wie ben ik en hoe kan ik elk kind bereiken?
  2. Je beseft dat je niet anders kan dan het echte antwoord op beide vragen te vinden en daarmee aan de slag te gaan

Gevolg:
Het curriculum wordt overgedragen en wel op de manier die passend is voor ieder kind.

Ik heb jarenlang gezocht naar een manier om aan collega’s en ouders uit te leggen hoe ik kinderen bereik. Ik heb inmiddels de woorden gevonden binnen een gedragsmodel (Process Communication Model: PCM) dat ik inzet als communicatiemodel.
Het geeft me handvatten voor heldere, transparante communicatie die motiveert, inspireert, verbindt, erkenning geeft en, als het nodig is, dicteert. Het laat mij zien hoe ik, door aan te sluiten bij de taal van het kind (in woord, toon, lichaamshouding, gebaren en gezichtsuitdrukking) nog beter elk kind bereik.
Ik besef dat het een essentieel onderdeel is om vanuit maatschappelijke verantwoordelijkheid en wederzijds respect kinderen iets te leren, kennis te delen, soepele relaties te creëren en optimale prestaties te verrichten.
En daarvoor heb ik nu alle aanknopingspunten, want elk van de zes persoonlijkheidstypen die PCM beschrijft heeft een specifieke manier van communiceren. Ik heb inmiddels ondervonden dat, wanneer ik als leerkracht elk van die talen spreek, in staat ben om over te brengen “wat” ik wil zeggen.

Deze werkwijze is tijdloos en bijna te vanzelfsprekend om waar te zijn. Het is niet ingegeven door wat er ‘op dit moment’ actueel is. Juist omdat er altijd weer een nieuw ‘op dit moment’ zal komen.
Ik merk dat het mij erom gaat dat elke leerkracht weet wat elk kind nodig heeft om tot leren te komen. Pas dan komt de inhoud bij het kind binnen.

Ik neem je graag mee in “hoe” ik dat doe.
Waarom?
Omdat hoe we het zeggen ervoor zorgt dat elk kind hoort wat we zeggen. En dat is wat ik nodig vind.

Vandaag, morgen en in 2032.

meester Jelte

 

PCM in een notendop

basistraining PCM