meester Korneel en de sokkelaars

De sokkelaars

Meester Korneel en de kinderen uit zijn klas liepen mee met de wandelvierdaagse. Het was de tweede dag en ze slenterden allemaal wat labbekakkerig achter elkaar aan. Er werd wat zeurend gevraagd door Charlie wanneer ze gingen rusten en Janke deed of ze last van haar knie had. Meester Korneel zag het en opeens, midden op een smal bospad, bleef hij stokstijf stil staan. Als een harmonica schoven de kinderen van de klas op een kluitje. Charlie, die achteraan liep, schreeuwde. ‘Wat is dit nou? Gaan we hier stoppen of zo?’
Meester Korneel stak zijn hand op. Met zijn andere hand gebaarde hij dat iedereen stil moest zijn. Hij draaide zich om naar de groep en fluisterde.
‘Ik was het helemaal vergeten maar dit is het smokkelpad. Hier smokkelden in een grijs en ver verleden boeven en schavuiten en schavoelje en bandietende schuinsmarcheerders hun smokkelwaar omdat ze niet wilden dat de veldwachters hun spullen in beslag zouden nemen.’
‘Wat smokkelden ze dan, meester?’ vroeg Henke.
‘Wat ze smokkelden? Tja… smokkelwaar natuurlijk. Geheime ladingen vol spullen die verborgen moesten blijven. Belangrijke spullen natuurlijk die ervoor zorgden dat ze bleven leven en lange slenterdagen overleefden.’
‘Dat klinkt nogal geheimzinnig meester,’ mompelde Jarig. ‘Ik heb wel gehoord van smokkelaars die boter smokkelden omdat het aan de ene van kant van de grens duurder was dan aan de andere en dat ze dan dus veel geld verdienden als ze het wisten over de grens te krijgen.’
‘Tja, zo ging dat inderdaad vroeger. Het was een kat en muis spel tussen veldwachtende politiebedienden die probeerden de schavuiten op te sporen en vast te grijpen. En het spel van de smokkelaars was om uit de grijpgrage handen van de flikken te blijven.’
‘Flikken?’ vroeg Majorie.
‘Dienders, flikken, politieagenten, wetsdienaren, veldwachters. Allemaal woorden die hetzelfde beroep beschrijven. De flikken zaten dan soms in de nacht maar ook tijdens de dag te azen. Ik denk langs paadjes zoals deze.’ Meester Korneel keek nadenkend om zich heen. ‘Ja, dit is een ideaal smokkelpad. Smal, ingeklemd tussen dicht struikgewas, mooie schuilbomen waar ze in konden klimmen en misschien wel een schuilplek in een droge greppel. Ja, ik denk dat dit een ideaal smokkelpad is.’
En wat deden die flikken dan als ze een smokkelaar te pakken kregen?’ vroeg ik.
‘Dat wil je echt helemaal niet weten, Steen,’ zei meester Korneel. Hij zuchtte en keek geheimzinnig om zich heen.
‘Ja hoor, dat wil ik wel weten,’ zei ik.
‘Op eigen risico natuurlijk want ik denk, dat als ik het vertel, dat je vannacht niet goed slaapt.’
Meester Korneel keek om zich heen of er iemand was die protesteerde. Niemand dus.
‘Vooruit dan maar,’ zei meester. ‘Wanneer die schobbejakken werden gevangen dan volgde de straf die bekend staat onder de naam “afschuwelelijke kietelkramp tot iepenkrieperige erupsheden.’
‘De wat?’ vroeg Charlie.
‘De afschuwelelijke kietelkramp tot iepenkrieperige erupsheden, afgekort a.c.t.i.e. Wanneer zo’n flik een schavotschavuit te pakken kreeg schreeuwde hij triomfantelijk ‘ACTIE’ en gaf hem de ongekend heftige straf, erger nog dan een nacht opsluiting in het schavot. De gevangenis dus.’
Meester Korneel keek even serieus om zich heen.
‘Zo’n schavuit werd dan vastgebonden aan de eerste de beste zwiepwiepboom, een boom met zwiepende takken die wiepten als je ertegen aan leunde. Dan ontdeed de flik de smokkelaar van diens schoenen en sokken, pakte een strorietje en kietelde net zolang de voetzolen tot de smokkelaar het uitschreeuwde en “limonadegenade” riep. Die straf was zo verschrikkelijk wanstaltig bizar dat na het uitvoeren ervan elke smokkelaar beloofde voor altijd en eeuwig te zullen stoppen met smokkelen.’
‘Echt?’ vroeg Majorie.
‘Serieus,’ mompelde meester Korneel. ‘Heb je de laatste tijd nog weleens smokkelaars gezien hier in de buurt?’
We schudden onze hoofden.
‘Dat komt omdat die afschuwelelijke kietelkramp tot iepenkrieperige erupsheden zo goed is uitgevoerd dat smokkelaars hier niet meer voorkomen. De gepijnigde smokkelaars hier in de omgeving kregen ook een bijnaam. De mensen uit de omgeving noemden ze ‘sokkelaars,’ omdat de flikken ze lieten gaan zonder schoenen, als een stelletje helden op sokken. Sokkelaars dus in plaats van smokkelaars.’
Meester Korneel stak zijn hand in de lucht, plotseling en totaal onverwacht.
Verschrikt keken we om ons heen.
‘Ik hoor wat,’ zei hij. ‘Allemaal in het struikgewas. Ik voel op mijn klompen aan dat er twee smokkelaars aankomen.’
Meester dook het struikgewas in en wij doken hem achterna. Toen we net allemaal achter bomen stonden, in een droge greppel lagen en tussen het struikgewas verborgen waren zagen we ze komen. Het waren twee begeleiders uit de organisatie van de vierdaagse. Nietsvermoedend kwamen ze dichterbij. Toen ze langs de plek liepen waar wij net nog stonden kreette meester Korneel wat oerkreten en maande ons aan om hem te volgen. Dat deden we. We begrepen zonder dat hij het had uitgelegd wat hij van plan was. De twee begeleiders stonden als aan de grond genageld. Meester Korneel schreeuwde: ‘Afschuwelelijke kietelkramp tot iepenkrieperige erupsheden. ACTIE!’ Niet veel later hadden we de beide begeleiders vastgebonden aan de eerste de beste zwiepwiepboom. Meester Korneel had hun schoenen al uitgetrokken toen een van de twee wanhopig en geschrokken riep: limonadegenade.’
‘Je roept het te vroeg,’ zei meester Korneel dommig.
De begeleider mompelde: ‘Sorry, maar ik wil niet gevoetzoolkietelt worden.’
Toen begrepen we opeens dat meester Korneel het verhaal had verzonnen en dat het een vooropgezet spel was tussen hem en de begeleiders.
‘Limonadegenade,’ riep ook de andere begeleider.
‘Wat vinden jullie?’ vroeg meester Korneel. ‘Verlenen we ze limonadegenade?’
‘Ik heb de ranja al te pakken meester,’ zei Charlie.
‘En ik de bekers al,’ zei Majorie.
Terwijl meester Korneel de twee begeleiders losmaakte deden wij ons tegoed aan de smokkelaarslimonade. We rusten wat en meester Korneel lachte, samen met de begeleiders om de geslaagde grap.
Niet veel later wilden de smokkelaars ervandoor. ‘Ze mogen alleen weg als ze sokkelaars worden, toch, meester?’ vroeg Jarig.
Meester Korneel glunderde. De twee begeleiders grinnikten, deden hun schoenen uit en liepen terug naar waar ze vandaan waren gekomen, als twee helden op sokken. En wij, wij liepen uitgerust verder naar de finish.