Sturen voor kerst

dagblad 001Sturen voor Kerst.

Het was donker in het dorp. De straatlantaarns waren om onverklaarbare reden allemaal uit. Hermen en Julia waren lang blijven hangen op school. Hun meester snapte dat ze liever niet naar huis wilden. Hun moeder was drie week geleden overleden na een lang ziekbed. De tweeling zocht warmte bij hun meester Werner en terwijl die aan het nakijken was veegden de kinderen de vloer, zetten een pot thee en versierden de kerstboom nog een keer. Er werd niet veel gezegd en toen Hermen en Julia de buitendeur sloten was het donker.

‘Het is donker,’ zei hermen.

Julia knikte. ‘Net zo donker als bij ons thuis.’

Hermen reageerde niet. Hij wist wat zijn zus bedoelde. Hun vader deed zijn best om het gezellig in huis te maken, de opa’s en oma’s waren ook veel in de buurt maar zoals vorig jaar zou het nooit meer worden. Ze liepen met de handen in de zakken door de vrieskou. Het donker omsloot ze en ze verdwenen, zo leek het, in de schaduw van de dag. Ze schrokken toen ze beiden vlak voor zich een man zagen die, zo leek het, stokstijf stilstond.

‘Harrie,’ zeiden Hermen en Julia tegelijkertijd.

De man die Harrie heette draaide zich langzaam om. De glimlach die om zijn mond kwam konden de kinderen niet goed zien.

‘Jullie hier,’ mompelde hij. Broer en zus wisten niet goed wat ze moesten doen. Doorlopen of een praatje maken. Harrie was, zo zeiden ze in het dorp, een eigenaardige man. Iemand die het liefst zijn eigen gang ging en mensen met vreemde uitspraken op het verkeerde been zette of diep liet nadenken. Hij had een grote boerderij waarvanuit hij spullen verkocht. Meubeltjes die hij had opgeknapt; fietsen; serviesgoed; boeken. Eigenlijk alles wat los en vast zat. De mensen uit het dorp lieten hem vaak links liggen.

‘Het is donker in de wereld,’ mompelde hij. ‘Iedereen die een mening heeft denkt vaak dat dat de werkelijkheid is. Terwijl ik hoop dat er een nieuwe waarheid ontstaat als mensen met elkaar in gesprek gaan. Wanneer dat niet gebeurt blijft het donker in de wereld.’

Hermen knikte zonder dat hij wist waarom. Hij begreep dat Harrie weer zo’n raadselachtige uitspraak had gedaan.

‘Bedoel je dat mensen niet meer met elkaar praten?’ vroeg hij.

Harrie keek hem aan en knikte. ‘Mensen zijn bang voor het donker. Ze kennen elkaar bijna niet meer. Ze zijn soms bang om wat te zeggen omdat ze denken dat de anderen ze niet begrijpen. Begrijp je?’

Julia keek Harrie aan. Onder de klep van de pet zag ze, ondanks het donker, wat tranen in de ogen van de oude man glimmen.

‘Niemand neemt meer het stuur in handen. We weten niet goed wat we willen omdat we niet weten wie de ander is en hoe hij echt denkt. We luisteren maar half. Of helemaal niet. Of niet helemaal. Praten begint met luisteren jongens.’

Hermen en Julia keken elkaar aan. Hermens hersenen kraakten. Hij had iets gehoord maar het drong nog niet tot hem door wat hij precies had gehoord. Harrie draaide zich om en liep een paar meter voor de beide kinderen uit. Ze volgden en toen ze bij Harrie’s koopjesstal kwamen sloeg hij het pad in dat naar de boerderij leidde. Aan de buitengevel zag Hermen een felverlichte kersster. De punt van de kerstster wees naar een bord waarop een spreuk van Harrie stond: “Wie stuurloos is vindt hier wel een nieuwe.” Op de grond, onder het bord, had Harrie een aantal fietssturen tot kunstwerk gesmeed. Opeens wist Hermen wat hij even daarvoor had gehoord maar wat niet tot hem door was gedrongen. Toen hun moeder bijna niet meer kon praten had ze haar beide kinderen een opdracht meegegeven. Daar dacht Hermen aan. ‘Wat zei mama?’ vroeg Hermen aan Julia.

Julia wist meteen wat Hermen bedoelde. ‘Neem je eigen stuur in handen als je het moeilijk hebt,’ zei Julia. Hermen knikte. Harrie, die zijn hand om de deurknop had, voelde op de een of andere manier dat er wat gebeurde en draaide zich langzaam om. Hij deed zijn pet af en keek de beide kinderen verwachtingsvol aan.

‘Hoeveel sturen heb je, Harrie?’ vroeg Hermen.

Harrie krabde zich achter zijn oor. ‘Honderden,’ zei hij. ‘Waar denk je aan jongen?’

‘Honderden?’ vroeg Julia.

Harrie knikte. ‘Sommige gemeentes verzamelen weesfietsen. Dat zijn fietsen die op stations staan en zo krakkemikkig en slecht zijn dat niemand ze meer wil hebben. Eens in het half jaar worden ze losgeknipt en koop ik ze op. Vandaar dat ik er zoveel heb.’

‘Maar wat doe je er mee?’ vroeg Julia.

‘Waar niemand naar omkijkt heeft juist aandacht nodig. Dat geldt voor mensen. Dat geldt ook voor weesfietsen. De wereld is soms te bang om echt te luisteren. Daarom wordt het steeds donkerder. Of heb ik dat al gezegd? In elk geval. Ik verzamel weesfietsen. Ik knap ze op en laat ze opnieuw leven. Omdat iedereen een nieuwe kans verdiend. Een kans op een nieuw leven. Soms op een andere plek omdat je moet vluchten voor oorlog of voor je eigen verleden, soms met andere mensen om je heen.’ Het leek of Harrie’s gedachten afdwaalden. Opeens keek hij Hermen aan.

‘Vertel wat je hebt bedacht jongen.’

Drie dagen later stond meester Werner op het schoolplein en keek goedkeurend en lachend toe hoe Harrie, geholpen door Julia, Hermen en de andere enthousiaste kinderen uit zijn klas fietssturen uit de vrachtwagen van Harrie haalden en schots en scheef op het plein legden.

Harrie gaf aanwijzingen en zorgde er ook voor dat er vele metalen staven werden uitgeladen. Toen de kinderen tevreden tussen de weessturen stonden nam Harrie het woord:

‘Jullie gaan voor licht zorgen als je allemaal je eigen stuur vastpakt. We hebben niets aan een stuurloze wereld.’

Hij tikte tegen de klep van zijn pet naar meester Werner, hees zijn broek op, draaide zich om, stapte in zijn vrachtwagen en reed hortend en stotend weg.

‘Nou, jullie kennen het geweldige plan van Julia en Hermen. We zijn met alle kinderen van de school aan de slag gegaan. En nu is het tijd om de wereld… nou ja, ons dorp… te laten zien wie jullie zijn, waar je goed in bent, wat je wel wilt worden. Laten we licht maken, zoals Harrie zei. Let’s go!’

Klas voor klas kwamen alle kinderen van de school buiten. Elke kind koos een stuur en nam die mee naar binnen. Daar hielpen ouders mee om elk stuur te verfraaien. Aan het eind van de schooldag ontstond er iets bijzonders. Aan elke stuur hing een persoonlijke tekst van elk van de kinderen. Met de naam van elk kind. Opa’s en oma’s hielpen mee om elk stuur op een metalen pen te zetten, in de grond te plaatsen en rond de school ontstond op deze manier een sturenbos.

Hermen en Julia liepen er door en lazen wat hun schoolgenoten voor wensdromen hadden. En ze waren niet de enigen die een kijkje kwamen nemen. Meer mensen uit het dorp kwamen af op deze bijzondere plek. Ze lazen, stootten elkaar aan en kwamen in gesprek. Er werd gelachen, serieus gekeken en er kwamen nieuwe verhalen bij, nieuwe wensdromen van bezoekers aan het sturenbos.

Julie en Hermens vader Sander kwam aan het eind van zijn werktijd langs. Het was donker en verbaasd keek hij om zich heen.

‘Hebben jullie dit…?’ begon hij.

‘Wat?’ mompelde hij.

‘Mam zei ons dat we ons eigen stuur in de hand moesten nemen als we het moeilijk hadden,’ zei Hermen.

‘En omdat we dachten dat iedereen het wel eens moeilijk had hebben we dit samen met Harrie van de koopjesstal en meester Werner bedacht,’ vulde Hermen aan.

‘En omdat we weer meer met elkaar in gesprek moeten, juist als het donker is,’ hoorden ze Harrie zeggen die erbij was komen staan. Vader Sander sloeg een arm om elk van zijn kinderen en knuffelde ze. ‘Ik wil ook zo’n stuur,’ zei hij. ‘En ik hoop dat iedereen zich ontfermt over zijn eigen weesstuur,’ zei Harrie.

‘Fijne kerst Harrie. Dank je wel man.’

Harrie knikte. ‘Kijk naar je geweldige kinderen Sander. Zij hebben dit voor elkaar gekregen. Ik wens jullie een fijne kersttijd. Want dat is toch het feest van licht,’ zei hij. Daarna tikte hij tegen de klep van zijn pet en verdween in de schaduw van het donker dat opeens minder zwart leek.